Regelmatig ontvangen we binnen het project Omgaan met VBM boeiende vragen. De vraag hieronder kwam meermaals terug. Het antwoord leidt ons naar een belangrijk inzicht, dat breder gaat dan de initiële vraag:
Een sterke focus op definities en toepassingsgebieden kan ons afleiden van de essentie bij een praktijk: de reflectie over het handelen zelf.
Als een bepaalde praktijk niet helemaal onder de definitie afzonderen of fixeren valt, is dat niet het meest bepalende voor hoe een professional zal handelen. Een aantal professionele principes zoals aandacht voor het individu, werken vanuit verbinding, traumasensitief en krachtgericht werken en zinvolle daginvulling blijven fundamenteel. Het overwegen, reflecteren en discussiëren vallen niet weg, maar blijven een gezonde reflex. De richtlijnen rond preventie en toepassing van afzondering en fixatie stoelen net op die belangrijke (evidence-based) basisprincipes voor professionals in hun dagelijkse praktijk. Daar waar praktijken raken aan afzondering of fixatie, kunnen de richtlijnen dus een hulp zijn bij belangrijke overwegingen en reflecties.
De vraag in de inbox:
In onze organisatie is het gebruikelijk dat jongeren op vaste momenten verplicht worden op hun eigen kamer te blijven. De deur gaat daarbij niet op slot. Wel wordt de jongere teruggefloten door een begeleider op de gang wanneer hij of zij de kamer tijdens deze periode verlaat. Gaat het in deze situatie om afzondering?
Het antwoord
Volgens de intersectorale begrippenlijst luidt de definitie van afzondering als volgt:
Afzondering: het verblijf van een persoon in een daartoe speciaal voorziene individuele afzonderingskamer, of in een ander lokaal voor één persoon, dat de persoon niet zelfstandig kan verlaten.
Noot: indien de zorggebruiker het lokaal wel zelfstandig kan verlaten, is er geen sprake van afzondering.
In deze praktijksituatie verblijft de jongere in een kamer voor één persoon. De kernvraag wordt dan: “Kan de jongere deze ruimte zelfstandig verlaten?”
Op 6 februari 2026 werd deze vraag voorgelegd aan Kathleen De Cuyper en Tim Opgenhaffen, onderzoekers bij het Steunpunt WVG en mede-auteurs van de richtlijnen. Hun inzicht formuleren ze zo:
Wanneer de kamer niet op slot is, maar de jongere toch niet mag vertrekken, is er technisch gezien mogelijk géén afzondering in de strikte zin van fysieke vrijheidsbeperking. De jongere ervaart echter wél dwang, omdat de keuzevrijheid wordt ingeperkt. Daarom is deze praktijk af te raden binnen een preventieve visie op afzondering en fixatie (de-escalatie). Hoe sterker de fysieke vrijheid in de praktijk wordt beperkt wanneer iemand toch buitenkomt, hoe dichter men in de richting van afzondering beweegt.
Een grijs gebied
We leren hieruit dat de vraag of het om afzondering gaat minder zwart-wit is dan ze lijkt. Afhankelijk van hoe de praktijk wordt uitgevoerd, bevindt ze zich dichter of verder van wat we “pure” afzondering noemen.
Elementen die hierin een rol spelen zijn onder andere:
- Hoe wordt de jongere tegengehouden of teruggestuurd? Wordt er streng gecorrigeerd of zelfs gestraft?
- Is er ruimte voor dialoog? Gaat de begeleider in gesprek en zoekt men naar een alternatief als er iets aan de hand is?
Het kan zinvol zijn om deze praktijk te benoemen als een grijs gebied. Dat grijze gebied negeren, betekent ook belangrijke principes van goede hulpverlening miskennen. Alleen concluderen dat het géén afzondering is, doet geen recht aan de impact op de jongere én aan je professionele verantwoordelijkheid. Want intuïtief herkennen we veel gelijkenissen met afzondering.
Daarom is het essentieel om je professionele basisfilosofie juist hier te blijven inzetten: denk aan aandacht voor zinvolle daginvulling, traumasensitief en krachtgericht werken, positieve gedragsondersteuning en nabijheid.
Reflectievragen
Wanneer je merkt dat je in een grijze zone belandt, ga in overleg en neem de ruimte voor gezamenlijke reflectie:
- Hoe sterker de fysieke vrijheid in de praktijk wordt beperkt, hoe dichter we bij afzondering komen. Waar situeren we onze huidige aanpak op dat spectrum?
- Waarom zetten we deze praktijk in? Welk doel willen we bereiken, en zijn er andere manieren om dat doel te bereiken?
- Kunnen we vermijden dat we deze praktijk inzetten? Welke alternatieven zien we? En welke alternatieven zien de zorggebruikers zelf?
- In deze situaties is er geen sprake van ernstig en acuut gevaar. Hoe gaan we om met de wetenschap dat er bij afzondering zonder ernstig en acuut gevaar toestemming nodig is van de zorggebruiker en/of vertegenwoordiger?
- Hoe passen we de aanbevelingen rond toepassing van afzondering en fixatie verder zo goed mogelijk toe?
Conclusie
Situaties zoals deze vragen niet alleen om een technische interpretatie van het begrip afzondering, maar vooral om een ethische en professionele reflectie. Door het grijze gebied te erkennen en consequent in dialoog te blijven, creëren we ruimte voor menswaardige zorg, nuance en kwaliteitsvolle ondersteuning. Zo blijft de vraag niet enkel “wat mag?”, maar vooral “wat is goede hulpverlening voor deze jongere, in deze situatie?”
Bronverwijzing
Peeters, T., Vanlinthout, E., De Cuyper, K., Opgenhaffen, T., Vanhoof, J., Buyck, I., Nijs, S., van Achterberg, T., Put, J., & Van Audenhove, C. (2022). De preventie en toepassing van afzondering en fixatie in de residentiële geestelijke gezondheidszorg voor volwassenen: Een multidisciplinaire richtlijn met zicht op de toekomst (Versie 2.1). Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin
De Cuyper, K., Opgenhaffen, T., Droogmans, G., Beeckmans, D., Vanhoof, J., Mertens, N., Maes, B., Vanlinthout, E., van Achterberg, T., Nijs, S., Peeters, T., Put, J., & Van Audenhove, C. (2021). De preventie en toepassing van afzondering en fixatie in de brede residentiële jeugdhulp: Een intersectorale richtlijn met zicht op de toekomst. Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin
Definities gerelateerd aan vrijheidsbeperkende maatregelen, m.n. afzondering en fixatie. (2024). Departement Zorg .

